Hoofdstuk 3, Paragraaf 4
Bezig

Soorten voorraad

Hoofdstuk Voortgang
0% Afgerond

De technische voorraad is de voorraad die op een bepaald moment werkelijk aanwezig is. Deze kan afwijken van de voorraad die in het computersysteem staat geregistreerd van het bedrijf. Dit noem je de administratieve voorraad. Na een voorraadtelling wordt deze gelijk gemaakt met de technische voorraad.

De technische voorraad is echter niet de voorraad waar de ondernemer risico over loopt. De voorraad waar de ondernemer risico over loopt noem je de economische voorraad.

Om de voorraad op het juiste niveau te houden bestelt de ondernemer regelmatig bij zijn leverancier. De artikelen die in bestelling staan maar nog niet zijn geleverd door de leverancier noem je de voorinkopen. In de inkoop afspraken die een ondernemer heeft met zijn leverancier is vastgelegd dat de ondernemer na bestelling van de artikelen verplicht is deze artikelen af te nemen en te betalen. De ondernemer loopt dus vanaf dat moment het risico over deze artikelen. De voorinkopen worden daarom bij de technische voorraad opgeteld.

De ondernemer verkoopt de artikelen aan zijn klanten, en hier geldt eigenlijk hetzelfde voor. Een klant bestelt een aantal artikelen en de ondernemer levert deze een paar dagen later. Dit noem je de voorverkopen. Op het moment dat de klant besteld heeft is de klant verplicht de artikelen af te nemen en te betalen. De ondernemer loopt het risico dus niet meer. De voorverkopen worden daarom van de technische voorraad afgehaald.

De economische voorraad, de voorraad waar de ondernemer risico over loopt wordt dan als volgt berekend:

Economische voorraad = Technische voorraad + Voorinkopen – Voorverkopen

(EV = TV + VI – VV).

In het hoofdstuk berekeningen vind je opgaven waar de economische en technische voorraad berekend worden.

De ondernemer bepaalt ook altijd een maximum en de minimum voorraad.

De maximum voorraad is het aantal producten dat je maximaal kunt opslaan zowel in het magazijn als in de winkel. De ondernemer kijkt hierbij naar de beschikbare ruimte die hij heeft en het risico dat hij loopt over het opslaan van de goederen. Eén van de risico’s die de ondernemer loopt bij het opslaan van goederen is dat de goederen niet verkocht worden. Er ontstaat dus derving, je verliest hiermee kapitaal. Een ondernemer kijkt dus bij het bepalen van zijn maximale voorraad goed naar de samenstelling van zijn voorraad.

De minimum voorraad is het aantal producten dat de ondernemer minimaal in voorraad wil hebben. Deze voorraad is bedoeld om de tijd te overbruggen die de leverancier nodig heeft om weer nieuwe spullen te brengen. De levertijd. Met een minimum voorraad voorkom je zoveel mogelijk het ‘nee’ verkopen aan een klant. Op het moment dat de minimum voorraad bereikt is moet de ondernemer een bestelling plaatsen. De minimum voorraad bepaalt dus het bestelmoment en is het bestelpunt.

Omdat de vraag naar een product kan verschillen, de ene dag is er meer vraag naar dan de andere dag, maar er ook bijvoorbeeld een vertraging kan optreden in het productieproces, bouwt de ondernemer een veiligheidsvoorraad in.

De veiligheidsvoorraad is een buffer tegen een onverwacht hoge vraag of een vertraging van productie tijdens de levertijd.

Als de ondernemer het bestelpunt wil berekenen, dus bij welke voorraad hij een nieuwe bestelling plaatst gebruikt hij de volgende formule:

Bestelpunt = (levertijd x afzet) + veiligheidsvoorraad

In het hoofdstuk berekeningen vind je opgaven waar het bestelpunt en de veiligheidsvoorraad worden berekend.

Je moet wel weten dat er bij het berekenen van de veiligheidsvoorraad geldt dat de levertijd en de afzet uitgedrukt moeten worden in dezelfde tijdseenheid. Dus als de afzet per week bekend is van een product dan moet ook de levertijd in weken worden uitgedrukt.

Een ondernemer kan met zijn leverancier afspreken dat hij op ieder moment kan bestellen, men noemt dit een variabel bestelmoment. Maar de ondernemer kan ook met zijn leverancier afspreken dat hij op vastgestelde dagen moet bestellen, dit noemt men het vaste bestelmoment.

Bij een variabel bestelmoment maakt de ondernemer gebruik van bovenstaande formule om het bestelpunt, de minimum voorraad te bepalen. Bij een vast bestelmoment kun je nog nauwkeuriger de minimum voorraad bepalen door rekening te houden met de bestelinterval, dit is de tijd tussen de twee momenten dat je mag bestellen. Bij een vast bestelmoment noemen we het bestelpunt niet meer minimumvoorraad maar de signaalvoorraad.

De signaalvoorraad wordt als volgt berekend:

Signaalvoorraad = (bestelinterval + levertijd) x afzet + veiligheidsvoorraad

In het hoofdstuk berekeningen vind je opgaven waar de signaalvoorraad wordt berekend.

Tot slot zal de ondernemer zich altijd afvragen of hij een grote of een kleine voorraad wil aanhouden. Beide mogelijkheden hebben voor de ondernemer voor- en nadelen. Deze voor- en nadelen kunnen uit de beschrijving van de soorten voorraad afgeleid worden:

 VoordelenNadelen
Grote voorraad          Je hoeft minder vaak te bestellen.Je verkleint de kans op ‘nee’ verkopenJe bent onafhankelijker van schommelingen in de vraag.Je hebt meer ruimte nodig.Je hebt een grotere kans op derving. Er gaat meer kapitaal in de voorraad zitten, dat had je ook ergens anders in kunnen investeren.
Kleine voorraad          Je hebt weinig ruimte nodig. Je houdt kapitaal over om ergens anders in te investeren. Je hebt een kleinere kans op derving.Je moet vaker bestellen. Je hebt een grotere kans op ‘nee’ verkopen. Je kunt schommelingen in de vraag slechter opvangen.

Zoals je ziet, zijn de voordelen van het één de nadelen voor het ander.

Was dit een heldere uitleg ?